Joyce HeydenJoyce Heyden (61) is net als haar ouders in het Koninkrijk der Nederlanden opgegroeid. Het enige verschil is dat zij geboren is in Assen en haar ouders in Nederlands-Indië. In 1949 vertrokken Alexander en Adèle Heyden naar Nederland om hier een nieuw bestaan op te bouwen. ‘Mijn ouders waren gewoon Nederlands, maar dan met een bruine kleur.’

 Door: Leonie van der Veen

‘In 1949 repatrieerden mijn ouders vanuit Nederlands-Indië. Soekarno kwam daar in 1945 aan de macht en hij riep in datzelfde jaar de onafhankelijke staat Indonesië uit. Soekarno wilde geen kolonialen in zijn land hebben, hij wilde dat gemengde bloed niet. Mijn ouders zijn afstammelingen van Nederlandse kolonisten, waardoor er Europees bloed in onze aderen stroomt. Mijn vader wilde niet onder het juk van Soekarno leven, want hij wilde geen tweederangsburger zijn. De angst van mijn vader was dat zijn gezin niet alle rechten zou krijgen die een volbloed Indonesiër wel zou hebben. Samen met de vijf kinderen die in Indië geboren waren, vertrokken mijn ouders daarom naar Nederland.’

‘Ik ben zelf geboren en getogen in Assen. Ik heb me daar altijd hetzelfde gevoeld als de blanke kinderen. Het is ook niet zo dat mijn ouders naar een totaal nieuw land verhuisden, want Nederlands-Indië was een kolonie. Ondanks dat wilde mijn vader dat zijn kinderen zich als voorbeeld opstelden. Hij vond het bijvoorbeeld niet goed als mijn broers op straat rondhingen. Mijn vader wilde niet dat andere mensen zouden zeggen “oh kijk, daar heb je die zwartjes weer”.’

‘Thuis spraken mijn ouders nooit over hun verleden en dat wilden ze denk ik ook niet. In de jaren zestig werd er sowieso nog niet gesproken over de traumatische ervaringen van Indiërs in de oorlog. Mijn vader heeft trauma’s overgehouden aan de Jappenkampen, maar dat is vaak onderbelicht geweest in die tijd. De Nederlanders hadden het druk genoeg met de wederopbouw na de oorlog. Je moest je maar gewoon aanpassen aan de Nederlandse samenleving.’

‘Ik waardeer het enorm in mijn ouders dat ze een nieuw bestaan hebben opgebouwd. Ze kenden de Nederlandse cultuur wel, maar ik denk dat het toch wel heel moeilijk is geweest voor hen. Mijn vader had het in gesprekken met Indische kennissen altijd over “tempo doeloe” (Maleis voor “goede oude tijd” red.). En tijdens de vroegere herdenkingen op 5 mei werd er niks over de Japanse bezetting in Indië verteld. Dat stak mijn vader heel erg. Inmiddels wordt dat iedere augustus wel herdacht, maar ik vind het heel jammer dat hij dit niet meer mee kan maken, omdat hij al overleden is.’

‘In de jaren negentig ben ik naar Indonesië afgereisd, want ik wilde het land van mijn ouders verkennen. Ik wilde toch een keer zien waar mijn roots lagen en de geur opsnuiven. Dat heeft me goed gedaan, maar ik heb niet de behoefte om te emigreren naar Indonesië. Als toerist vond ik het prima om het land van mijn ouders te zien, maar ik zou er zelf nooit willen wonen.’

‘Voor mijn ouders was het volgens mij ook nooit een optie om terug te keren. “Wat geweest is, is geweest.” Thuis spraken zij ook gewoon Nederlands met elkaar. Mijn ouders hebben ons opgevoed met de gedachte dat onze toekomst hier lag, maar dat we onze afkomst nooit moesten verloochenen. Zij waren gewoon Nederlanders, maar dan met een bruine kleur. Eigenlijk zijn wij volledig opgenomen en opgegroeid in deze samenleving en cultuur. Ik voel mij honderd procent Nederlands, maar ik verloochen mijn Indische afkomst niet.’