Portretfoto Jaap BoltJaap Bolt (73) vertrok als vijfjarig jongetje uit Indonesië en werd hier later meester op de basisschool. Samen met zijn ouders, drie zussen en broer voer hij met ‘de Nieuwe Hollander’ in 1947 naar Nederland. ‘Vluchtelingen kun je ons eigenlijk niet noemen, we zijn gewoon geëmigreerd.’

Door Lotte Rinzema

‘Mijn vader had wel in de gaten dat we niet in Indonesië moesten blijven. Toen we bericht kregen dat we naar Nederland konden, zijn we gegaan. Hij heeft in een Jappenkamp gezeten, dat was natuurlijk niet zo best en zodoende zijn we hier gekomen. We gingen naar mijn grootmoeder en grootvader in Eenrum. We hadden ook familie in Amsterdam, maar zij zijn helemaal niet op bezoek geweest toen we hier kwamen. Nederlanders zaten in die tijd ook nog wel met donkere mensen, dat waren wij dus. Mijn vader was gewoon een blanke man. Maar wij waren halfbloeden en daar zag mijn familie toch wel een beetje tegen op, hoewel ze in Indonesië zijn geweest en daar met open armen werden ontvangen. Toen wij in Eenrum kwamen hebben we wel een potje moeten vechten om er tussen te komen. Wij waren donker en zij waren blank, we waren ook de enige donkere mensen in het dorp. Ik heb wel veel ruzie gehad, maar dat werd uitgevochten door mijn broer. Op een gegeven moment zaten we er wel tussen.’

‘Als ik voor de klas sta vertel ik altijd eerst waar ik vandaan kom. De plaatsen waar we gewoond hebben, hoe ons huis in Indonesië er uit zag in. Het was een open huis, net alsof de gevel er uit was. Daar stond dan een hek. Je kwam in een hele lange gang, deze kwam uit in de slaapkamers of de keuken. Daar kon je gewoon zo in lopen. Ik weet nog best dat wij een papegaai hadden, vlakbij het hekje waar we binnenkwamen. En die kon praten. Nou de vreemdste dingen kwamen er uit! Dat herinner ik me nog goed. De papegaai heette Manus en we hadden ook een varken dat buiten het hek liep, hij heette Jessie. De papegaai was bang voor het varken, dan riep hij ‘Jessie!’ en als hij er aankwam riep hij: ‘Ga weg rotzak!’’

‘We zijn gevlucht van het ene naar het andere hotel, ook omdat mijn vader kok was. Toen mijn vader in het kamp zat kwam hij soms naar het hotel, dan kon je daar door de hekken heen met elkaar praten. Ik was thuis de jongste, mijn zus heeft mij altijd meegenomen. Zij was meer een oppas voor mij. Mijn moeder moest steeds vluchten met al die kinderen van de ene naar de andere plaats.’

‘Overal is oorlog, ik maak mij daar niet zo druk om. Ja, de oorlog op zich wel. Maar als je nagaat wat wij allemaal meegemaakt hebben, en toch kwam het weer goed. Ik leef in vrijheid, en ik hoop dat het ook zo blijft.’