vertelVrijheid geef je door – dat is het thema dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei koos voor de activiteiten rond Nationale Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Niet alleen de Tweede Wereldoorlog, maar ook de Eerste Wereldoorlog ontnam Nederland veel vrijheid. In deze oorlog werd mijn overgrootvader uitgeloot voor de dienstplicht. Hij ondervond wat een inperking van vrijheid betekent.

DOOR SIAN WIERDA

Deze zomer is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Niettemin zit die oorlog amper meer in ons collectief geheugen. Nederland verklaarde zich neutraal waardoor wij minder schade opliepen dan onze buurlanden. Daarbij zijn de mensen die de oorlog nog bewust meemaakten vrijwel allemaal uitgestorven. Op vijf mei vieren wij weliswaar het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar ook de Eerste Wereldoorlog drukte een stempel op ons besef van vrijheid.

Overgrootvader in dienst

Ik ben in augustus 1994 geboren. Mijn overgrootvader Tjitte Wierda was toen 99 jaar oud. Drie maanden later stierf de man – hij heeft mij nog net gekend. Mijn overgrootvader was 19 jaar, even oud als ik nu ben, toen de Eerste Wereldoorlog startte. Hij moest in dienst omdat Nederland weliswaar neutraal was maar het leger wel in staat van paraatheid bracht. Overgrootvader Tjitte kwam in de legerplaats Harskamp terecht – in het midden van Gelderland, aan de rand van de Veluwe. Dit oefenterrein voor de krijgsmacht speelde een grote rol in de Eerste Wereldoorlog.

Het leven in de kazerne was hard. De soldaten oefenden eindeloos het in de pas lopen, groeten en rangen leren – de instructeurs hamerden de tucht erin. Maar de leefomstandigheden waren hooguit beroerd. Er was ruimtegebrek, slecht eten en onvoldoende verzorging. Mijn overgrootvader was een ontevreden soldaat, en bovendien niet bepaald een lieverdje. Daardoor kwam hij meermalen voor de rechter. Zo zaagde hij eens de houten latrines, de toiletten van de officieren, door zodat ze naar beneden vielen.

Ontevreden militairen

Ook solliciteerde mijn overgrootvader voor de grap voor een baantje als korporaal, wat hij natuurlijk nooit mocht worden. Hij kon zich totaal niet vinden in de organisatie van de legerplaats. De militairen waren ontevreden omdat de mobilisatie verveelde en een sterk gevoel van zinloosheid overheerste. Eind oktober trok de ministerraad de militaire verloven in omdat de legerleiding bang was voor een Duitse inval, de soldaten mochten niet zomaar meer naar huis. Daarom ontstond op 25 oktober 1918 onrust in de Harskamp. De rantsoenen werden ingekrompen en er was geen weekendverlof meer. Verder rekende de kantinehouder volgens de militairen veel te hoge prijzen.

De soldaten foeterden en gooiden op 26 oktober met stenen een paar ruiten in. De dienstdoende officieren vroegen rust, maar na het middageten verzetten de militairen zich openlijk. Ze volgden geen bevelen meer op, ze weigerden de corveedienst en ruimden de etensresten niet op. Veel soldaten sloten zich bij de raddraaiers aan, die voornamelijk uit het tweede en derde bataljon kwamen.

vertel 3

Harskamp in lichterlaaie

De Harskamp verviel in totale chaos. Tegen drieën plunderden honderden soldaten de kantine – ze drukten koeken, chocolade en sigaretten in hun uniformzakken en ze braken ook de voorraad sterke drank aan. Rond zonsondergang staken de soldaten enkele barakken in brand. De Harskamp stond in lichterlaaie. Sommige soldaten gingen tekeer en stalen, terwijl andere militairen hun spullen probeerden te redden. De nieuwsgierige dorpelingen van Harskamp verscholen zich omdat de rebellen wild in het rond schoten en met knuppels zwaaiden.

Er was amper verweer tegen de muiters. Slechts een klein groepje soldaten probeerde met eerste luitenant Vonk de orde te herstellen. Het lukte hen de oproerkraaiers buiten de poort van hen kamp te drijven. Versterking uit de garnizoenen Ede en Amersfoort was onderweg, maar dat koste enige tijd en veel soldaten hadden weinig zin om tegen ‘eigen jongens’ op te treden. Toen de hulp rond middernacht verscheen, waren de oproerkraaiers verdwenen en was er weinig meer te doen dan het nablussen van het brandende kamp.

Straf uitdienen

De vierhonderd muitende soldaten marcheerden richting Amersfoort. Daar wilden zij de trein naar Groningen pakken. Echter, de lange tocht koelde hun woede af en toen ze bij het station aankwamen gingen ze zonder veel moeite met de militaire politie mee naar kamp de Vlasakkers. Daarvandaan werden de soldaten over legerafdelingen in het hele land verspreid.

Na de opstand werd mijn overgrootvader naar Zeeuws-Vlaanderen gestuurd, helemaal onderin Zeeland. Voor straf moest hij op een boerderij werken. Hij kreeg eenmaal in de drie maanden verlof. Als hij vier uur ’s nachts vertrok was hij met de boot en trein rond tien uur ’s avonds in Grou, weer thuis in Friesland. Als het winters vroor had hij geluk, dan kon hij zijn schaatsen onderbinden en zo sneller thuiskomen. Vanaf Grou moest hij namelijk nog een heel eind lopen.

Werken voor vrijheid

Na verloop van tijd ontliep mijn overgrootvader zijn straf en is met het uitdienen gestopt. In het dorpje waar zijn ouders woonden ontmoette hij het meisje waar hij later mee trouwde en dat mijn overgrootmoeder werd. In zijn latere leven heeft hij nooit veel verteld over de opstand in 1918. Hij hoorde niet bij de brandstichters – wie dat waren nam hij mee in zijn graf. Maar die ene dag, die vergat hij nooit weer.vertel 2

De opstand laat zien dat vrijheid niet vanzelfsprekend is - zelfs niet in tijden van neutraliteit. Want oorlogsspanning
 is ook een zware last. Oké, als de leefomstandigheden in de Harskamp beter waren, had de muiterij misschien niet plaatsgevonden. Maar vrijheid, daar moet je voor werken. Het verhaal van mijn overgrootvader maakt duidelijk dat je alleen vrijheid bereikt door er samen naar te streven. Door de vrijheid door te geven, zoals zijn verhaal later aan mij werd verteld.